Bijvoeren van wild helpt niet

Bijvoeren van wild helpt niet


Moeten we in het wild levende grote dieren bij voeren? Het antwoord is: nee! Het bijvoeren verstoort het natuurlijke afweermechanisme tegen kou. Bij alle dieren daalt de behoefte aan voedsel in periodes waarin het voedselaanbod van nature laag is. En bij een geringer voedselaanbod daalt de activiteit van dieren. De natuur zet alles in mindere tijden op een laag pitje. Als je voedsel beschikbaar stelt in tijden van schaarste, dan worden de dieren actief in een periode waarin ze dat van nature niet zouden zijn. Door actiever te worden, krijgen ze meer behoefte aan voedsel. Bovendien worden de dieren door structureel bijvoeren eerder vruchtbaar. Het vervroegt de bronst waardoor er jonge dieren worden geboren op momenten die helemaal niet gunstig zijn voor jonge dieren. Eveneens leidt het bijvoeren tot een vicieuze cirkel. Door bij te voeren houd je meer dieren in leven, het volgend jaar komen er meer jongen, die op hun beurt weer moeten worden bijgevoerd. Het lijkt sympathiek om ze bij te voeren, maar het helpt niet om zwakke dieren te ‘redden’. Er ontstaat sociale onrust, met stress, ruzies en gevechten in de kudde in een periode waarin ze spaarzaam met hun energie om moeten gaan. Strenge winters horen nou eenmaal tot de natuurlijke omstandigheden. Dieren die blijven leggen meestal een dikke speklaag aan in de overvloedige goede tijden (zomer en herfst) en teren daar tijdens de winter en het vroege voorjaar op in.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


CAPTCHA Image
Reload Image
Översätta